Sterren kijken
Zo af en toe kijken mijn lief en ik eendrachtig naar de nachtelijke hemel. Dat doen we vooral graag op Texel waar strooilicht nog niet zo storend is.
Ik zie dan gewo
on een prachtige hemel met geheimzinnige lichten en vind het zonder meer prachtig. Ik kan daar heerlijk over fantaseren.
Zo niet mijn lief. Die ziet de Andromedanevel, de Magelhaense Wolk en allerhande andere verschijnselen.
En wil mij daar hardnekkig deelgenoot van maken.
Dit nu irriteert mij mateloos. Ik hoef helemaal niet te weten dat er een stuk of wat van die sterren bij elkaar horen en dan ook nog een naam hebben. Ik wil kijken en genieten. Ik kan nog net de Grote Beer herkennen, zoals de meeste sukkels onder ons en daar houdt het mee op. Wat mij betreft is dat een uitstekende situatie.
Ik bedoel, de Grote Beer is voor mij gewoon die “steelpan†en ik zie in de verste verte niet wat dat rijtje sterren nou met een beer van doen kan hebben.
De ongebreidelde fantasie waarmee vroege astronomen een zwikje sterren bij elkaar raapten, er een soort tekening bij bedachten en dan een naam aan die zwik sterren gaven, ik heb bewondering voor hun verbeeldingskracht, maar ik heb er niets mee.
Ook verwacht mijn lief van mij, dat ik Venus, Mars en dat soort hemels geschitter direct herken. Nou, vergeet dat maar. Ik herken de Maan en dat vind ik mooi genoeg.
En uiteraard de Zon en dat vind ik nog vele malen beter.
Datzelfde, maar dan net omgekeerd, heb ik met bloemen.
Ik zie allerlei fraai bloeiend spul en wil mijn lief onmiddellijk vertellen wat wij daar allemaal staan te bekijken.
Dat nu irriteert hém mateloos. Het groeit en bloeit en ruikt (soms) lekker, maar het kan hem werkelijk niet schelen of we naar Klein Hoefblad of Speenkruid staan te kijken. Hij wil er een mooie foto van maken. Punt.
En dan overhoren we elkaar. Hij wijst naar een plek aan de hemel en vraagt of ik weet wat het is. En, eerlijk is eerlijk, ik weet het nooit, tenzij hij naar de Maan of de Grote Beer wijst.
Ik wijs naar een bloemetje en vraag of hij weet wat het is en verdorie, verdorie, vaak heeft hij het wél onthouden.
Maar ja, ik kan wél op mijn rug in een ligstoel naar de hemel staren en fantaseren over het misschien krioelende leven daar ver weg waar wij helemaal niets van weten.
Ik zie mijn lief nog niet naar een bloemetje staren en bedenken wat daar allemaal op krioelt. Behalve als het leven in kwestie een zodanig formaat heeft, dat hij er een foto van kan maken.
Terwijl hier op Aarde toch allerlei leven is waar wij totaal geen weet van hebben.
De mens steekt de nieuwsgierige neus soms wel eens een beetje érg ver uit.
Leer eerst je eigen wereld en medebewoners maar eens kennen en kijk dan omhoog.
Ik kan het vaak gewoon niet uitstaan, dat men naar buitenaards leven op zoek is en geen oog heeft voor het prachtige leven dat op Aarde nog zwemt, vliegt, loopt, kruipt, groeit en bloeit.
Dat men hoopt ET te vinden, terwijl hier op onze eigen Aarde veel mensen niets weten van al het moois dat onder
oogbereik is. En daar ook helemaal niet in geïnteresseerd zijn.
Weet je wel hoeveel soorten vogels, insecten, bloemen en zo er in ons eigen stukje heelal leven?
Kijk daar ook eens naar, nu kan het nog. We hebben de wereld nog niet helemaal verkloot, al schiet het wel hard op.
Naar de sterren reiken en kijken, daar is niets mis mee, het is alleen zo jammer, dat het wonder van onze eigen natuur zo weinig mensen boeit.
De nachtelijke hemel zal mij altijd in verwondering en bewondering brengen, maar de dagelijkse flora en fauna van mijn eigen wereldje nog veel meer.
Wie reikt naar wat hij niet heeft, ziet vaak niet meer wat hij (nog) wel heeft…