Vader
Ergens in 1983, precies wanneer weet ik niet meer, maar mijn oudste zoon was een kleine blonde krullenbol en de jongste groeide in mijn buik, ging de telefoon.
Mijn vader lag op sterven.
Onmiddellijk veranderden mijn knieën in een soort gelei.
Hoewel mijn vader al 15 jaar, met dank aan Alzheimer, zo dement was als een deur en we al die tijd al nauwelijks tot geen contact hadden met hem wilde ik hem toch niet zo 1, 2, 3 missen.
Afijn, wat gedaan? Ik had geen auto tot mijn beschikking, dus ik heb mijn zoon in tijdelijke bewaring gegeven aan de buurvrouw en de buurman reed mij naar het verpleegtehuis.
Daar lag mijn vader, piepklein en rochelend naar adem. Ik had meteen het gevoel, dat het absoluut loos alarm was.
En inderdaad… de volgende dag zat hij gewoon weer in zijn rolstoel en voerde mijn moeder hem stukjes chocolade en partjes sinaasappel.
Dat geintje heeft hij ons in totaal 7 keer geflikt. Iedere keer ging ik weer met bevende benen naar dat verpleegtehuis en ’s anderendaags zat hij gewoon weer mummelend in zijn rolstoel.
Je zou ‘m!
Maar de 8e keer, in 1986, was het dan toch raak. Of mis, hoe je het maar wil zien.
Hij was helemaal geel, want de arme lieverd had ook nog leverkanker opgedaan. Maar die keer was hij ook totaal buiten bewustzijn en wist ik dat dat de laatste keer was dat ik hem “levend†zag.
Ik heb hem gedag gezegd en ik weet zeker dat hij daar niets van heeft gemerkt.
Hij was al zoveel jaren weg en nu was hij nog wegger dan anders.
Niemand huilde, afscheid hadden we al zo lang geleden genomen.
Mijn zusje tuimelde totaal overwacht om 11 uur binnen. Ze was niet bereikbaar geweest, maar had het gevoel dat ze beslist naar het verpleeghuis moest. Ze zal wel een sterkere band hebben gehad met hem dan ik, ik vind het nog steeds een wonder.
Haar vriend moest ernstig naar het toilet en vroeg waar die faciliteit zich bevond. En ik kon het niet laten en zei: Hier het hoekje om.
Mijn oudste zusje moest daar zwaar haar wenkbrauwen van fronsen.
En zo zaten we daar, te wachten in die nare kille hal. Te wachten tot vader dood zou gaan.
Wat hij dan uiteindelijk om 1 uur ook deed.
Een raar gevoel, plotseling is één van de poten onder je bestaan weg.
De volgende dag werden we geacht in de aula nog een keer afscheid van hem te nemen.
Dat was pas écht ellendig. Daar lag hij dan, een klein geel vogeltje. Iedereen was opgelucht, dat pa eindelijk uit zijn ellende was verlost, maar niemand durfde dat toe te geven. Iedereen was blij van die wekelijkse gang naar het verpleegtehuis af te zijn, want enig respons was er nooit, maar niemand die dat ook durfde te zeggen. En toch was het akelig en verdrietig.
Mijn moeder zei ietwat weemoedig: Och gut, en gistermiddag zat ik hem nog een sinaasappeltje te voeren.
En ik kon wéér het niet laten, ik ben helaas onverbeterlijk en zei: Tja, als je dat nou niet had gedaan dan was hij nu zo geel niet geweest.
De enige die er vreselijk om moest lachen was mijn moeder… en mijn vader vast en zeker ook. Mijn oudste zusje fronste wederom enorm haar wenkbrauwen.
Och ja…